Een tweeling of een drieling verandert de gezinsdynamiek volledig. Voor eenlingen, oudste of jongste in het gezin, is dit goed merkbaar. In een gezin zonder tweelingen heb je twee groepjes: de ouders en de kinderen. Is er een meerling, dan komt er een groepje bij: de twee-of drieling (of meer).
Tweelingen produceren het zo geheten Twin Unit Effect. Ze zijn onderling sterk bijelkaar betrokken, ze hebben een hechte band en ze delen routines en gewoontes. In de eerste jaren hebben ze soms een eigen taaltje. De dynamiek van de ouders is ook anders dan die van eenlingouders. Zo blijkt uit onderzoek (Audrey Sandbank) dat ouders meer aandacht hebben voor de meerling en minder emotioneel betrokken zijn bij hun eenling(en). Dit heeft te maken met het feit dat een meerling meer aandacht opeist, een groter beroep doet op de ouders, er meer stress voor de ouders is en ook logistiek er vaak veel geregeld moet worden (denk aan medische onderzoeken, probleemsituaties met school, etc.). Daarnaast is er nog de invloed van de maatschappij. Gaat de ouder met de meerlingwagen op stap samen met de eenling, dan zijn alle ogen gericht op de twee- of meerling.
Hoe ervaren eenlingen deze situatie?
Ongeacht de leeftijd van de eenling en het leeftijdsverschil tussen eenling en meerling, zijn de volgende gevoelens universeel:
- Gevoelens van eenzaamheid
- Gevoelens van ‘onttroning’ bij de oudste en van ‘aan de zijlijn staan’ bij de jongste.
- Gemis van het hebben van een bijzondere positie binnen het gezin.
Er zijn verschillen in de beleving van de oudste in vergelijking met die van de jongste eenling:
De oudste moet zich aanpassen aan een ruptuur. Er is voor dit kind een fase van voor de komst van de meerling en een fase van erna. De jongste past zich aan bij de structuur, dit kind verwacht geen exclusieve ouderaandacht.
Het is niet vreemd dat de oudste eenlingen binnen het meerlinggezin deze gedragingen vertonen:
- Jong zelfstandig zijn
- Goed overweg kunnen met volwassenen
- Vaker om een knuffel (fysiek) vragen
- Minder geneigd zijn om met problemen bij ouders te komen.
Bij deze kinderen is het dus belangrijk om attent te zijn op overaangepast gedrag, het syndroom van ‘makkelijke kind dat weinig vraagt’ en te vroege rijpheid waarachter wrok en boosheid veschuild gaan. Oudste kinderen maken vaak een moeilijke fase door na de geboorte van de tweeling. Huil-en driftbuien komen veel voor, evenals een terugval in ontwikkeling (speen vragen, niet meer alleen willen slapen/spelen, niet meer zindelijk zijn, etc.). Er is wel een verschil tussen jongens en meisjes: de laatsten genieten van het ‘meehelpen’ met het zorgen voor de tweeling, terwijl jongetjes meer moeite hebben met de kleine ‘indringers’.
Jongere eenlingen laten deze gedragingen zien:
- Vroege onafhankelijkheid
- Sociaal handig en bekwaam (ze leren veel van de interacties van de tweeling)
- Een eigen identiteit waarbij het zich afzet tegen de tweeling (ik ben niet één van de tweeling).
Zowel oudere als jongere eenlingen kunnen het volgende doen om zich een plaatsje in het gezin te veroveren:
- Probeert een bondje te vormen met de tweeling. We zijn een drieling
- Probeert een wig te drijven tussen de tweeling of maakt eentje tot zijn favoriet
- Zoekt extra aandacht en een band met de ouders
- Vormt zelf een tweeling met een vriendje, een neefje, etc.
Toch vertonen deze eenlingkinderen niet meer gedragsproblemen dan andere kinderen. Ouders hebben hier wel een specifieke taak in. In een volgend artikel zal ik hier op ingaan.
Meer informatie:
Audrey C. Sandbank, The effect of twins on family relationships, Acta Gen Med Gemelli, 37, 1988